Toon alle rubrieken
|
Verberg alle rubrieken
|
| 1. Verwachte aanvangscompetenties |
|
a. De algemene toelatingsvoorwaarden en de dwingende volgtijdelijkheid zijn beschreven in de onderwijs- en examenregeling.
Om dit (opleidingsonder)deel in optimale omstandigheden aan te vatten, is het aangewezen dat de student de kennis, vaardigheden en attitudes, aangeleerd in de volgende (delen van) opleidingsonderdelen van de opleiding, actief kan inzetten. |
| / |
| b. De docent(en) wens(t)(en) ook de aandacht te vestigen op het belang van de volgende aanvangscompetenties: |
- Basiskennis over algemene communicatievaardigheid is vereist. De student kan basiscommunicatie en vaardigheden toepassen in zijn of haar werkgebied.
- Interpersoonlijke vaardigheden.
- Ervaringsgericht denken en werken.
- Ruimte geven aan gevoelens met betrekking tot de eigen familieverhalen.
|
|
| 2. Doelstellingen |
|
| a. Plaats van het (opleidingsonder)deel in de opleiding |
| De student krijgt inzicht op de complexiteit van een communicatieproces waarbij een palliatieve patiënt betrokken is. De student ontwikkelt een holistisch beeld van de patiënt als persoon, als een totaliteit van zowel het fysische als het psychische. Dit geldt eveneens voor de omgeving van de patiënt (familie, mantelzorgers) als voor de andere zorgverstrekkers.De student maakt zich eigen – rekening houdend met de beleving van patiënt en omgeving – om op een constructieve manier te communiceren over onderwerpen als slecht nieuws, emotionele pijn, angst, … De student krijgt handvaten om binnen een groepsgesprek met andere zorgverstrekkers te overleggen, te onderhandelen, conflicten te hanteren. Op deze manier zal de student bijdragen tot het zich eigen maken van een communicatiestijl binnen de palliatieve zorg. De student verbreedt en verdiept zijn kennis m.b.t. rouw en rouwondersteuning. Zelfreflectie en persoonlijke bewustwording worden gestimuleerd. Er wordt een empathische, transparante grondhouding aangeleerd die ruimte laat voor het verhaal van de familie en zijn gehele context. De student gaat inlevend kritisch kijken naar het gezin als structuur en als samenlevingsverband.De student leert ondersteunend, begeleidend en adviserend werken met de patiënt, zijn familie en leert zijn omgeving inhoudelijk bekijken en bespreken. De student wordt gestimuleerd, gesensibiliseerd en gemotiveerd om aan zelfzorg en zorg voor zorgenden te doen door middel van een ervaringsgerichte oefening. |
|
| b. Competenties uit het competentieprofiel en geëvalueerde competentieniveau (HUB-competentiemodel) |
| 3.1.1. De verpleegkundige is zich bewust van eigen waarden en normen en hoe die het professionele handelen beïnvloeden |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.1.2. De verpleegkundige respecteert de visie van de patiënt en familie op vlak van ethische kwesties |
Beheersingsniveau 3 |
| 3.1.3. De verpleegkundige kent zorgethiek en denkt na over zorgethische vraagstukken, die betrekking hebben op respect, autonomie, waardigheid en de principes van ethische besluitvorming en kan hierover reflecteren |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.2.1. De verpleegkundige kent eigen grenzen en is zich bewust van eigen sterkten en zwakten door kritische zelfreflectie |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.2.2. De verpleegkundige durft kijken naar zijn eigen eindigheid en heeft een visie op leven en dood |
Beheersingsniveau 3 |
| 3.3.1. De verpleegkundige bezit vaardigheden om aan te voelen waar de patiënt heen wil en om hem vervolgens te begeleiden in een palliatief antwoord. BV. In zijn vraag naar euthanasie of in het afzien van ondersteunende zorgmaatregelen (bv. hydratatie)… |
Beheersingsniveau 3 |
| 3.3.2. De verpleegkundige indentificeert en reageert adequaat op het copingmechanisme (en de daaruit ontstane gevolgen) dat gebruikt wordt door de patiënt en zijn familie gedurende de zorg |
Beheersingsniveau 3 |
| 3.3.3. De verpleegkundige indentificeert de impact van een ernstige ziekte op alle familieleden, evenals de sociale gevolgen die daaruit kunnen voortkomen |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.3.4. De verpleegkundige onderkent normale processen rond verdriet en verlies, evenals interfamiliare conflicten, reageert hierop adequaat, en biedt passende ondersteuning om de familie bij te staan in deze tijd van onzekerheid en verandering |
Beheersingsniveau 3 |
| 3.3.5. De verpleegkundige begeleidt de familie (bv. door het organiseren van familiebijeenkomsten, overlegmomenten, het uitbouwen van een netwerk van zorg om complexe situaties tegemoet te treden,…) |
Beheersingsniveau 3 |
| 3.3.6. De verpleegkundige zorgt voor een rouwzorgaanbod voor nabestaanden |
Beheersingsniveau 3 |
| 3.3.7. De verpleegkundige fungeert als rolmodel voor collega's in de zorg naar familie |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.3.8. De verpleegkundige voert een proactief beleid in samenspraak met het interdisciplinair team om wegen te bepalen hoe ze familiefocused kunnen werken waarbij ieders rol en functie bepaald wordt |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.4.1. De verpleegkundige stemt de zorg af op de levensovertuiging van de patiënt, in samenspraak met de patiënt, zijn familie én in overleg met andere disciplines |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.4.2. De verpleegkundige verleent de afgestemde zorg tot na de dood met aandacht voor emotionele begeleiding, verliesverwerking en het afhandelen van formaliteiten |
Beheersingsniveau 3 |
| 3.4.3. De verpleegkundige begeleidt de patiënt en zijn familie naarmate de ziekte voortschrijdt op deskundige wijze en anticipeert op problemen op fysiek, psychosociaal en spiritueel gebied |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.4.4. De verpleegkundige begrijpt de verschillende dimensies van pijn |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.4.5. De verpleegkundige begrijpt het concept 'totale pijn' |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.9.1. De verpleegkundige weet waar collega disciplines in het team voor staan met hun mogelijkheden en kan haar/zijn eigen unieke bijdrage binnen het palliatieve zorgteam toelichten |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.9.2. De verpleegkundige heeft inzicht in groepsdynamiek en zijn/haar leiderschapsrol in het geheel |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.9.3. De verpleegkundige anticipeert zonodig proactief op veranderingen in het team |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.9.4. De verpleegkundige ondersteunt zonodig veranderingen binnen de familiale context |
Beheersingsniveau 2 |
| 3.10.1. De verpleegkundige is op de hoogte van taboes over de dood en heeft een overzicht van de wijze waarop binnen de samenleving tegen de dood en het sterven wordt aangekeken |
Beheersingsniveau 3 |
| 3.12.1. De verpleegkundige is zich ervan bewust dat opleiding een professionele positieve bijdrage levert aan patiënten en zijn familie in zijn ziek-zijn |
Beheersingsniveau 1 |
| 3.12.3. De verpleegkundige volgt aanvullende opleidingen zowel in verbale als non-verbale communicatie, (waarbij onderwerpen aan de orde komen zoals het brengen van slecht nieuws en het stopzetten van behandelingen), en implementeert deze vaardigheden in de begeleiding van familie |
Beheersingsniveau 3 |
| 3.13.1. De verpleegkundige fungeert als opleider en gesprekspartner om zorgethische aspecten te bespreken met patiënten, familie, collega-zorgverleners alsook het brede publilek en media |
Beheersingsniveau 1 |
| 3.14.1. De verpleegkundige heeft interesse voor onderzoek en leest in haar vakgebied om zo haar bestaande praktijkervaring te vergroten en professionele ontwikkeling te bevorderen |
Beheersingsniveau 2 |
|
| c. Kerndoelen van het (opleidingsonder)deel |
| 1. De student heeft inzicht op de complexiteit van een communicatieproces waarbij een palliatieve patiënt betrokken is. |
Beheersingsniveau 3 |
| 2. De student ontwikkelt een holistisch beeld van de patiënt als persoon, als een totaliteit van zowel het fysische als het psychische. Dit geldt eveneens voor de omgeving van de patiënt (familie, mantelzorgers) als voor de andere zorgverstrekkers. |
Beheersingsniveau 3 |
| 3. De student maakt zich eigen – rekening houdend met de beleving van patiënt en omgeving – om op een constructieve manier te communiceren over onderwerpen als slecht nieuws, emotionele pijn, angst, … |
Beheersingsniveau 3 |
| 4. De student ontwikkelt vaardigheden in communicatie bij het omgaan met situaties binnen de palliatieve zorg. De student kan deze vaardigheden gebruiken bij zowel patiënt, zijn omgeving als binnen een team van zorgverstrekkers. |
Beheersingsniveau 3 |
| 5. De student verbreedt en verdiept zijn kennis m.b.t. rouw en rouwondersteuning. Zelfreflectie en persoonlijke bewustwording worden hierbij gestimuleerd. |
Beheersingsniveau 3 |
| 6. De student neemt een empathische, transparante grondhouding aan die ruimte laat voor het verhaal van de familie en zijn gehele context. |
Beheersingsniveau 3 |
| 7. De student kan inlevend kritisch kijken naar het gezin als structuur en als samenlevingsverband en dit in beeld brengen. |
Beheersingsniveau 3 |
| 8. De student kan ondersteunend, begeleidend en adviserend werken met de patiënt, zijn familie en zijn omgeving inhoudelijk bekijken en bespreken. |
Beheersingsniveau 3 |
| 9. De student kan kijken naar, aanleren en oefenen van de vereiste sociale vaardigheden om de competenties te realiseren doorheen het ervaringsgericht werken. |
Beheersingsniveau 3 |
| 10. De student kan stimuleren, sensibiliseren en motiveren om aan zelfzorg en zorg voor zorgenden te doen. |
Beheersingsniveau 3 |
| 11. De student kan aan de hand van een driestappenplan, gebaseerd op een stresshanteringsmodel, aan zelfzorg doen. |
Beheersingsniveau 3 |
|
|
| 3. Leerinhoud |
|
- Patiëntencommunicatie en begeleiding I: basisprincipes (docent: Eric Verliefde)
- Model van communicatie met bovenstroom en onderstroom wordt aangereikt
- Empathisch inleven in de persoon van zowel patiënt en omgeving. Beleving staat centraal
- Actief luisteren in palliatieve zorg met aandacht voor nabijheid en voor het aanreiken van informatie
- Omgaan met emotionele pijn
- Patiëntencommunicatie en begeleiding II: uitdieping (docent: Eric Verliefde)
- Zelfonderzoek: mijn relatiestijl en eigen zienswijze
- Empathisch luisteren: een actief proces vanuit een onvoorwaardelijke acceptatie van de andere persoon
- Het belang van concretiseren. Het duidelijk krijgen wat er aan de hand is, zonder je te verliezen in details. Zijn er antecedenten, consequenten en reacties?
- Slecht nieuws gesprek: hoe deel je “een waarheid” mee?
- GespreksvaardighedenHet belang van stilte in een gesprek
- Samenvatten en parafraseren
- Non-verbale communicatie
- Heretiketteren van bepaalde uitspraken
- Omgaan met feedback
- Het belang van doorvragen. Wat is de functie van een vraag? Welke soorten vragen bestaan er allemaal (open, gesloten, exploratieve, …)?
- Een gesprek afronden
- Omgaan met emotionele pijn: angst voor het sterven, kwaadheid en agressie, gelatenheid en depressie
- Interdisciplinair samenwerken: met andere zorgverstrekkers kunnen informatie uitwisselen, kunnen overleggen. Binnen een groepsdynamisch model kunnen onderhandelen en leren hanteren van conflicten
- Rouw- en rouwondersteuning (docent: Gerke Verthriest)
- Nieuwste inzichten i.v.m. rouw op basis van recent wetenschappelijk onderzoek
- De vermijdende en confronterende copingmechanismen van rouwenden
- Rouw: een ervaring van groei
- Rouw in de palliatieve context:
- Anticiperend rouwen - Houding t.a.v. de dood in onze samenleving - Belang van een ‘goed’ levenseinde voor alle betrokkenen
- Wat kan betekenisvol zijn voor een stervende mens?
- Valkuilen binnen de palliatieve context (in waarheid omgaan, palliatieve hardnekkigheid)
- Het belang van betekenisgeving in het rouwproces:
- De betekenis van emoties - De betekenis van het verlies - De betekenis van de persoon in het leven nu en de zoektocht naar blijvende verbondenheid met de overledene - Aandacht voor specifieke doelgroepen (afhankelijk van de vraag van de studenten) - Het belang van rouwondersteuning
- De verschillende vormen van rouwondersteuning (rouwzorg, rouwcounseling, rouwtherapie)
- Rituelen en symbolische handelingen bij het afscheid van een dierbare (voor en na het sterven) en de ondersteunende rol van de verpleegkundige, de betekenis en functie van rituelen en symbolische handelingen
- Rituelen en symbolische handelingen in de huidige geseculariseerde en multiculturele context
- De emotionele ondersteuning (troost)
- Emotionele pijn: de interventiemethode helpt niet - Verschillende vormen van troost - Luisterende troost (troostgesprek) - Luisterobstakels
- Het belang en de impact van de lichaamstaal
- De effecten van troostende aanwezigheid
- Rouwzorg op de werkplek (afscheid nemen, emotionele ondersteuning) - Aandacht voor specifieke probleemsituaties (afhankelijk van de vraag van de studenten) - Stimuleren van zelfreflectie en persoonlijke bewustwording: waaraan ben je gehecht (en zou je dus niet graag verliezen? waarden in het leven); hoe ziet je eigen verliesgeschiedenis er uit? Welke ingrijpende verliezen heb je mee gemaakt? Hoe ben je geworden wie je bent doorheen deze verliezen?; wat is jouw manier van omgaan met verlies? Hoe zien jouw hulpbronnen er uit?; wat is voor jou ‘een mooie dood’? Een ‘waardig’ afscheid?; wat roept het besef van je eigen dood op? (Gevoelens? Gedachten?); hoe wil jij herinnerd worden?; ben ik mij bewust van de (mogelijke) interferentie van eigen denkschema’s, ervaringen, emoties, behoeften… op mijn handelen?
- Werken met families (docent: Luc De Waegeneer)
- Een empathisch, transparante grondhouding aanbrengen en aanleren die ruimte laat voor het verhaal van de familie en zijn gehele context
- Het inlevend kritisch kijken naar het gezin als structuur en als samenlevingsverband en dit in beeld brengen
- Het ondersteunend, begeleidend en adviserend werken met de patiënt, zijn familie en zijn omgeving inhoudelijk bekijken en bespreken
- Het kijken naar, het aanleren en oefenen van de vereiste sociale vaardigheden om de competenties te realiseren doorheen het ervaringsgericht werken
- Zorg voor de zorgenden (docent: Thomas Creten)
- Wederzijdse kennismaking met daarbij ook de groep als ervaringsleerinstrument
- Stimulering, sensibiliseren en motiveren om aan zelfzorg en zorg voor zorgenden te doen door middel van een ervaringsgerichte, doe –oefening in groep. Met telkens reflectie over patronen en herkenbare reacties uit het dagelijkse leven
- Een kader of raamwerk over zorg voor zorgenden. Een indeling naar het gezonde en ongezonde deel van streshantering en piek of traumatische, dagelijkse en werkstress en menselijke fundamenten of zijn basis
- Een driestappenplan om aan zorg voor zichzelf te doen gebaseerd op een stresshanteringsmodel
- Communicatie in palliatieve zorg (docent: Thomas Creten)
Basisprincipes en vaardigheden - Partner- en familiezorg (docent: K. Van Nieuwerborgh)
Omgaan met familie en belangrijke derden: genogram |
|
| 4. Leertrajecten en onderwijsmethoden |
|
- Hoorcolleges waarbij theoretische aspecten en modellen aan bod komen, alsook toepassingen en voorbeelden. Er is mogelijkheid tot reflectie.
- Begeleide werkcolleges / zelfreflectie
- Roloefeningen / inbreng van eigen ervaringen en cases met aandacht voor observatie, feedback, verbale en non-verbale communicatie
|
|
| 5. Studie- en verwerktijd |
|
Studiepunten: 6
* Definitie Studiepunt: Een studiepunt wordt gebruikt om de studieomvang van elke opleiding of elk opleidingonderdeel uit te drukken.
Het is een internationaal aanvaarde eenheid die overeenstemt met tussen 25 en 30 uren voorgeschreven onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten.
|
| Contacturen: 50 |
| Studeertijd en examen: 120 - 150 |
| Overzicht Opdrachten / Stages: |
| Opdracht / Stage nr. 1:
Zorg voor de zorgenden
|
|
Startdatum: 1/12/2009
|
Einddatum: 10/01/2010
|
´geschatte´ Studiebelasting:
1 - 5
|
Periode:1ste semester
|
| Opdracht / Stage nr. 2:
Rouw en rouwbegeleiding
|
|
Startdatum: 31/10/2009
|
Einddatum: 20/12/2009
|
´geschatte´ Studiebelasting:
1 - 5
|
Periode:1ste semester
|
|
|
| 6. Evaluatiemodaliteiten |
|
| Examenperiode jan/feb of mei/juni |
Toelichting : Elk hoofdstuk van de cursus wordt geëvalueerd op 20 punten. Het eindpunt wordt berekend op basis van het aantal contacturen per hoofdstuk. Tussentijdse toetsen worden als vorm van permanente evalutie mee verrekend voor het eindpunt. Patiëntencommunicatie en -begeleiding I en II: schriftelijk examen op 1/5 van de punten (8/40 punten): theorie en eigen kritische bedenkingen mondeling examen op 4/5 van de punten (32/40 punten): aan de hand van een casestudie worden de inlevings- en communicatievaardigheden van de student getoetst Werken met families: evaluatie van een casus uit het werkveld: gebruiken als middel teneinde herkenningspunten te detecteren (procesevaluatie – persoonlijk groeiproces) Rouw- en rouwondersteuning: evalutie van de opdrachten op 20 punten Zorg voor de zorgenden: evaluatie van de opdracht |
|
| |
Examenperiode aug/sep |
Toelichting : Idem eerste zittijd. |
|
|
| 7. Studiemateriaal |
|
|
Aanbevolen literatuur
|
|
Er werd geen studiemateriaal doorgegeven door de docent
|
|
|
Verplicht studiemateriaal
|
|
Er wordt ook digitaal studiemateriaal gepubliceerd op HUBWISE |
|
| 8. Flexibiliteit |
|
|
|
|